Van Hagerbeer-orgel, Nieuwe Kerk / Amsterdam
In 1644 krijgt Germer van Hagerbeer de opdracht om het bestaande kleine orgel van de Nieuwe Kerk te renoveren. De werkzaamheden aan het instrument worden ondanks een grote brand in het kerkgebouw nog in 1645 voltooid.
Het instrument geniet in eerste instantie een zeer goede reputatie maar raakt vanaf het einde van de 17de eeuw steeds meer buiten beeld. Herstelwerkzaamheden vinden plaats in onder meer 1753 (Christian Müller), 1774 (Pieter Müller) en (1781 Jan Jacob Vool). In de daaropvolgende periode wordt het orgel nog slechts sporadisch gebruikt. In 1866 plaatst de firma Flaes & Brünjes nieuwe frontpijpen maar een verdere restauratie van het orgel blijft uit.
Als gevolg van een ingrijpende restauratie van het kerkgebouw gaan aan het begin van de 20ste eeuw de windvoorziening en het pijpwerk verloren. In 1948 voert D.A. Flentrop onder advies van Mr. A. Bouman een reconstructie uit waarbij men zich maar beperkt laat leiden door het nog bewaarde oude materiaal. In 1959 wordt de Nieuwe Kerk wegens bouwvalligheid gesloten en worden de orgels gedemonteerd en opgeslagen.
Uiteindelijk volgt in 1989 een nieuwe reconstructie van het orgel uitgevoerd door Flentrop Orgelbouw. Het orgel krijgt een nieuwe windvoorziening en nieuw pijpwerk; de oude windladen, klaviatuur en mechanieken worden gerestaureerd.
| Hoofdwerk Prestant 8' | Zijwerk Prestant 8' | Werktuiglijke registers koppeling HW-ZW B/D |
De kas
De kas van dit orgel heeft een voor de 17de eeuw ongebruikelijke opbouw. Waarschijnlijk komt dit doordat delen ervan ouder zijn dan 1645.
De gebogen vorm van de hoofdkas zet zich voort in de tribune. Opvallend zijn de zuiltjes die de verbinding vormen tussen balustrade en front. Ook de toogpanelen zijn een kenmerkend gegeven.
Samen met delen van het blinderingsnijwerk en de bekroningen zouden deze delen tot het oudste bouwbestand kunnen behoren.
Veel plastischer zijn daarentegen de paneelvullingen van de zijwerkkas en de ornamenten op de voetlijst van de zijgalerij.
