Marcussen & Søn /
De geschiedenis van het orgel gaat feitelijk terug tot 1540. In dat jaar bouwt Hendrik Niehoff een nieuw orgel voor de St-Bartholomeuskerk te Schoonhoven. Dit instrument, bestaande uit Hoofdwerk, Borstwerk en Pedaal wordt in 1763 verbouwd door Hendrik Hermanus Hess.
In de 19e eeuw wordt de dispositie van het Borstwerk nog gewijzigd, maar in 1883 besluit men het orgel af te schrijven. In 1901 wordt het orgel uit de kerk verwijderd en daarna opgeslagen.
In 1959 wordt de oude kas gebruikt bij de bouw van het nieuwe transeptorgel in de Grote of St. Laurenskerk te Rotterdam. Het binnenwerk dateert geheel uit 1959. Hoofdwerk en Pedaal zijn op één lade samengebouwd; de Spitsgedekt 16' staat in een nis achter de orgelkas. De Prestant 8' van het Pedaal is van C-Fis gecombineerd met die van het Hoofdwerk.
| Hoofdwerk (II) Prestant 8 | Rugpositief (I) Holpijp 8 | Borstwerk (III) Gedekt 8 |
| Pedaal Spitsgedekt 16 | Werktuiglijke registers koppeling HW-RP Manuaalomvang C-g3 |
|
De kas van dit orgel dateert uit 1540 en is een vroeg voorbeeld van een later zeer gebruikelijk fronttype met een ronde middentoren, gedeelde tussenvelden en spitse zijtorens. Het is overigens niet duidelijk in hoeverre de huidige indeling van het front met de oorspronkelijke overeenkomt.
Bij de plaatsing in Rotterdam zijn alle latere elementen, inclusief de beschildering van de kas, verwijderd. Zo verdwenen de 18e eeuwse vleugelstukken, het paneel ter afsluiting van het Borstwerk en de vazen op de torenbekroningen. Het blinderingssnijwerk, dat overigens deels 18e eeuws is, bleef daarbij ongemoeid.
De musicerende figuren tegen de middentoren zijn modern, evenals het rugpositief. Dit laatste is, in afwijking van Niehoffs werkwijze, uitgevoerd als een verkleinde versie van de hoofdkas.
