Bader-orgel, Sint-Walburgiskerk / Zutphen
In 1639 krijgt Hans Henrich Bader de opdracht voor het reeds aanwezige orgel een nieuw rugpositief te vervaardigen. Nadat dit werk is voltooid, volgt enkele jaren daarna de opdracht voor een nieuw hoofdwerk en pedaal. Het aldus ontstane instrument blijft vrijwel ongewijzigd tot 1813.
In dat jaar voltooit Johannes Wilhelmus Timpe een omvangrijke verbouwing van het instrument dat bij die gelegenheid wordt verplaatst van het noorderzijschip naar het koor van de kerk. Timpe voorziet de oude hoofdkas van een nieuwe onderbouw en plaatst de windladen van het hoofdwerk in de voormalige onderkas. Achter het oorspronkelijke hoofdwerkfront plaatst hij een nieuw bovenwerk. De windladen, de klaviatuur en de mechanieken worden nieuw aangelegd evenals de balgenkamer en de windkanalen. De dispositie van het instrument wordt daarbij ingrijpend gewijzigd en uitgebreid. Ook wordt de toonhoogte verlaagd.
In 1824 voegt N.A. Lohman een spaanbalg toe en vernieuwt hij de Viola di Gamba 8' van het bovenwerk. In 1906 wordt het orgel door G. Spit overgeplaatst naar de torenwand van de kerk. Bij die gelegenheid worden ook alle tongwerken vervangen.
Nadat S.F. Blank in 1976 de dispositie van het hoofdwerk enigszins heeft hersteld, volgt in 1996 een algehele restauratie door Orgelmakerij Gebr. Reil. Daarbij worden hoofdwerk, rugpositief en pedaal zoveel mogelijk teruggebracht in de toestand 1643 maar blijft het bovenwerk van Timpe eveneens gehandhaafd. Voor het hoofdwerk vervaardigt men een nieuwe lade. Verder worden alle tongwerken vervangen. Het overige pijpwerk wordt hersteld en waar nodig aangevuld. Pijpwerk van Bader blijft hoofdzakelijk bewaard in hoofdwerk en rugpositief alsmede de prestanten van het pedaal. Het bovenwerk is grotendeels van Timpe. De windvoorziening bestaat uit vijf spaanbalgen waarvan er vier uit 1643 dateren. Het orgel is tegenwoordig gestemd in een 1/6 komma stemming.
| Hoofdwerk | Rugpositief | Bovenwerk |
| Pedaal | Werktuiglijke registers Manuaalomvang C-f3 |
De kas
Deze kas is typerend voor het vroeg-zeventiende eeuwse Westfaalse orgel in het algemeen en voor de familie Bader in het bijzonder. De architectonische geleding wordt sterk benadrukt door de zuilen met corinthische- en composiet kapitelen.
Wat de decoratie betreft is het rugpositief uit 1639 het rijkst. De hoofdkas uit 1643 volgt in zijn opbouw hoofdzakelijk de vormen van het rugpositief, zij het dat deze iets hoekiger zijn doordat de torens nu driehoekig uitspringen.
Bij de verbouwing in 1813 worden de bestaande onderkas en de pedaaltorens op een nieuwe onderkas geplaatst terwijl de panelen tussen de zuilen van de oude onderkas worden geopend en van pijpwerk en nieuw snijwerk voorzien. Aldus ontstaat het nieuwe hoofdwerk terwijl het oorspronkelijke hoofdwerk tot bovenwerk wordt getransformeerd.
