Jacob Bijster (1902 - 1958)
“Een ieder, die hem gekend heeft weet, dat hij zich vóór alles paedagoog gevoelde”, schrijft oud-leerling Jaap Dragt over zijn leermeester Jacob Bijster (1902-1958) in diens in 1959 postuum uitgegeven Orgelmethodiek.
Jacob Bijster behaalt in 1924 het einddiploma piano en de Prix d’Excellence voor orgel, ter afsluiting van zijn studie aan het Amsterdams Conservatorium. Zijn leraar was Jean-Baptiste de Pauw, die beide hoofdvakken doceerde. Andere leraren waren Johannes Röntgen (analyse), Anton Tierie (solfège), Bernard Zweers (harmonieleer) en Simon van Milligen (muziekgeschiedenis).
In 1922 wordt Bijster benoemd tot organist van de Doopsgezinde kerk in zijn geboorteplaats Haarlem. In 1929 wordt hij leraar, en in 1942 hoofdleraar orgel aan het Amsterdams Conservatorium.
Op zijn naam staan 31 composities voor en met orgel, die niet allemaal zijn uitgegeven. Zijn Eerste Koraal schreef hij al op 22-jarige leeftijd; de bekende Variaties op een Oud-Nederlandsch lied (‘Ik wil mij gaan vertroosten’) verschenen in 1934.
Daarnaast heeft Bijster orkest- en kamermuziek geschreven, alsmede een zangspel Uriel. Zijn muziek was, samen met die van Hendrik Andriessen, Cor Bute, Anthon van der Horst, Cor Kee en Jan Zwart, bepalend voor de orgelcultuur in vooroorlogs Nederland.

