Dirk Jansz. Zwart (1917 - 2002)
Dirk Jansz. Zwart, zoon van de bekende Zaanse organist en publicist Jan Zwart (1877-1937), krijgt de eerste orgellessen van zijn vader. Zijn vakopleiding ontvangt hij o.a. bij Jacob Bijster (orgel), Jan Felderhof (theorie), Ernest W. Mulder (contrapunt) en Phons Dusch (directie).
Van 1938 tot 1944 is hij organist van de Doopsgezinde gemeente van Koog-Zaandijk. In 1945 volgt zijn benoeming tot organist van de Nieuwe Kerk in Delft.
In die stad kan hij zich muzikaal ontplooien; hij organiseert er zomeravondconcerten in de Nieuwe Kerk en demonstreert het Bätz-orgel regelmatig aan bezoekers. Daarnaast geeft hij orgellessen en werkt als muziekrecensent voor de Delftsche Courant.
Omdat Zwart grote moeite heeft met de Hervormde Kerkorde van 1951 verruilt hij twee jaar later de Delftse orgelbank voor die van de vrijgemaakt-gereformeerde kerk aan de Simonstraat in Rotterdam.
Hij treedt in die tijd regelmatig op als adviseur bij orgelbouw en restauraties; ook het Verschueren-orgel (1953) in de Simonstraatkerk (met mechanische tractuur) is onder zijn advies gebouwd.
Zijn brood verdient Zwart hoofdzakelijk als muziekleraar aan een reformatorische scholengemeenschap. Daarnaast is hij dirigent van een drietal koren en geeft hij orgelconcerten.
Als componist van koraalvoorspelen zet hij de lijn van zijn vader voort.
In de jaren vijftig legt hij het dan bekende orgelœuvre van Jan Zwart op de grammofoonplaat vast. Ook in het cd-tijdperk worden er verschillende opnamen van zijn orgelspel gemaakt.
Voor Dirk Jansz. Zwart is het kerkmusicus zijn een wezenlijk deel van zijn leven. Vanaf eind jaren vijftig heeft hij zich toegelegd op een studie tactus en tempo waarin hij de foutieve tempoverdubbeling in de psalmzang aantoont.
Hij overlijdt op 27 maart 2002 in zijn woonplaats Rotterdam.

