Nicolas Antoine Lebègue (1631 - 1702)
De eerste vermelding van Nicolas-Antoine Lebègue is gedateerd in 1661 wanneer hij als ‘fameux organiste de Paris’ in de kerkelijke jaarboeken van Troye wordt vermeld.
Dat zijn composities reeds tijdens zijn leven populair zijn blijkt uit het aantal herdrukken. Daarnaast is Lebègue een autoriteit op het gebied van de orgelbouw en is hij als orgelpedagoog een invloedrijke figuur. Onder zijn leerlingen komen bekende namen voor als De Grigny en Dagincour.
Lebègue schrijft een omvangrijk oeuvre voor clavecimbel en orgel welke gebundeld worden in vijf grote banden. Deze worden tussen 1676 en 1687 uitgegeven. Zijn composities zijn verwant aan die van Couperin. Lebègue gebruikt echter abstrakte en formele benamingen voor zijn stukken en in muzikaal opzicht doen zijn werken ook formeler aan.
In zijn orgelsuites schrijft Lebègue vernieuwend en verlaat hij de oude contrapuntische stijl. Hij legt de nadruk op meer lyrisch-melodische vormen zoals het ‘récit en taille’ waarbij de melodielijn in het midden ligt en wordt omspeeld met zachter begeleiding in de rechterhand en het pedaal. Het pedaal krijgt in deze tijd een steeds zelfstandiger rol toebedeeld. Hoogtepunt uit het werk van Lebègue vormt zijn ‘Troisième Livre’ (derde band) met daarin offertoria, symphonies en noëls.
Naast de orgel- en clavecimbelwerken zijn er motetten van Lebègue, deze verschijnen in 1687.
