Johann Sebastian Bach (1685 - 1750)
Bach wordt in Eisenach geboren. De jonge Bach krijgt vioolles van zijn vader en orgelles van de kerkorganist van Eisenach. In 1695 wordt Bach wees en wordt in huis genomen door zijn oudere broer Johann Christoph. Zijn broer, die organist is, geeft Bach orgel- en klavecimbelles.
In zijn jonge jaren is Bach een eigenwijze man die het regelmatig aan de stok krijgt met zijn collega’s. Als hij achttien is, krijgt hij een baan in het koninklijk orkest in Weimar en wordt hij organist te Arnstadt. Maar na conflicten verhuist hij in 1707 naar Mühlhausen omdat hij daar een baan als organist aanvaardt. Ook in Mühlhausen loopt het echter niet goed. Een jaar later vertrekt hij naar Weimar, waar zijn eerste belangrijke composities, waaronder orgelwerken en cantates, tot stand komen.
In 1717 wordt hij benoemd tot kapelmeester in Anhalt-Köthen. Aan het hof van prins Leopold schrijft hij solowerken en composities voor kamerorkest. Hier componeert hij een van zijn didactische meesterwerken, het eerste deel van het Wohltemperierte Klavier.
Na zes jaar in Anhalt-Köthen te hebben doorgebracht, verhuist hij in 1723 naar Leipzig waar hij koormeester wordt aan de Thomaskerk. Bach is de derde keus van het stadsbestuur dat liever Georg Philipp Telemann of Christoph Graupner op die positie ziet. Men vindt de muziek van Bach verouderd en ziet hem vooral als organist.
In Leipzig componeert hij het grootste deel van zijn oeuvre, waaronder zijn beroemdste werken als de Matthäus Passion, de Johannes Passion, het tweede deel van het Wohltemperierte Klavier en de Goldbergvariaties. Het grootste gedeelte van de 295 cantates die hij componeert, waarvan er 202 bewaard zijn gebleven, komen hier tot stand.
Het laatste jaar van zijn leven krijgt Bach last van staar. Hij sterft in 1750 na een mislukte oogoperatie.

